‘Volksverheffing 2.0. Literatuurkritiek op het internet’: voorpublicatie uit Ons Erfdeel 2010/2

by onserfdeel 22. april 2010 16:33

Het tweede nummer van de lopende Ons Erfdeel-jaargang verschijnt pas op 5 mei, maar we presenteren u vandaag op deze blog al één integraal artikel. In ‘Volksverheffing 2.0. Literatuurkritiek op het internet’ geeft literatuurwetenschapper Kevin Absillis (foto) een uitgebreid overzicht van hoe er online over literatuur wordt geschreven en gedebatteerd.

Daarbij komen zowel literaire nieuwsblogs als recensiewebsites aan bod, die door Absillis naar waarde geschat worden en die u dankzij de hyperlinks meteen kunt gaan bekijken. De auteur stelt onder meer vast dat ‘maatschappelijke relevantie’ geen vies begrip meer is in de literatuurkritiek op het internet, en hij haalt ook enkele uitdagingen voor de toekomst aan.

Veel leesplezier!

 

 

 

Volksverheffing 2.0. Literatuurkritiek op het internet

 

‘De denkbeelden van den dag’

Vijfenzeventig jaar geleden, op 8 maart 1935, hield Johan Huizinga in Brussel een opzienbarende lezing die luttele tijd later in uitgewerkte vorm verscheen als In de schaduwen van morgen (1935). In het boek stelde de Nederlandse historicus een “diagnose van het geestelijk lijden” van zijn tijd. Zoals de onheilspellende titel en ondertitel verraadden, was die diagnose weinig hoopgevend. Met lede ogen zag Huizinga kennisidealen vervluchtigen, ondeugden promotie maken en culturele standaarden teloorgaan. Voor de nabije Apocalyps van de Geest noemde hij diverse oorzaken, maar een kritiekloze verering van het technologische vernuft, te naïeve opvattingen over volksverheffing en de razende opkomst van nieuwe, door commerciële impulsen gedreven massamedia waren volgens hem daarvan alvast niet de minst belangrijkste. “[B]arbarie kan samengaan met hooge technische volmaking […] en evengoed […] met algemeen verbreid schoolonderwijs”, waarschuwde hij voluntaristische onderwijsvernieuwers en advocaten van een eindeloze progressie. En over de “vermorsing van de geest” op de radio en in de krant noteerde hij: “Het ruilmiddel der gedachte, het woord, daalt met het voortschrijden der cultuur onvermijdelijk in waarde. Het wordt in steeds mateloozer quantiteit steeds gemakkelijker verspreid. Met de waardeloosheid van het gedrukte of gehoorde woord stijgt in directe evenredigheid de onverschilligheid voor de waarheid. […] De oogenblikkelijke publiciteit, aangezet door mercantiel-sensationeele strekking, blaast een eenvoudig verschil van standpunt op tot een nationale hallucinatie. De denkbeelden van den dag eischen werking à la minute. Terwijl de groote ideeën in deze wereld altijd zeer langzaam zijn doorgedrongen. Als asphalt- en benzinegeur boven de steden, hangt over de wereld een wolk van woordenkraam.”

 

Verloedering of vrijheid

Ironisch genoeg groeide Huizinga’s magistraal plechtstatige pleidooi tegen de uitwassen van de moderniteit uit tot een internationale bestseller. Net zo is het vandaag een beetje ironisch dat In de schaduwen van morgen integraal beschikbaar werd gemaakt op de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL). De tekst is zo deel gaan uitmaken van die even overweldigende als ondoorzichtige wolk van woordenkraam die vaak met de metafoor cyberspace wordt benoemd.

Sinds de digitale omwenteling heeft de “vermorsing” van het ruilmiddel der gedachte een tempo bereikt dat Huizinga zich in zijn kwaadste dromen niet zou hebben kunnen verbeelden. Het stond dan ook in de sterren geschreven dat nieuwe onheilsprofeten zouden opstaan om te waarschuwen dat het met de Beschaving nu wel eens écht helemáál uit zou kunnen zijn. Van het internet is niets te verwachten en alles te vrezen: griezelige panoptische krachten (spyware, Google, Facebook), de goorste publiciteit (spam), de waan van de minuut (Twitter) en – horror boven horror – de niet te beteugelen opinies van al wie kan beschikken over een op het net aangesloten pc. Minstens zo luid als de ondergangskreten klinkt echter dat andere klassieke motief uit de geschiedenis van de moderniteit: kome er Vooruitgang! Niet verloedering, versplintering en nivellering, maar vrijheid, diversiteit, broederlijkheid en emancipatie, is wat het wereldwijde web mogelijk zal maken. Of ambitieuzer nog: een gerevitaliseerde en geperfectioneerde democratie die het welluidende slotakkoord zal vormen van het project dat meer dan tweehonderd jaar geleden werd gelabeld als Verlichting.

 

E-lit

In literaire milieus klinken beide deuntjes vrolijk door elkaar. Wie literatuur vijfenhalve eeuw na Gutenberg alleen in een gedrukt boek kan herkennen, houdt zijn of haar hart vast. Dat doen ook puristen als ze zien hoe de taal formerly known as ABN in chatrooms wordt verminkt en “vervuild” raakt door bizarre afkortingen, smileys en Engelse uitdrukkingen. En uiteraard brengt menigeen de alom waargenomen maar moeilijk te documenteren “ontlezing” in verband met de digitalisering. Maar voor het overige is er ook lofgezang voor

e-books, e-readers en e-inkt, voor de toegankelijkheid en onbegrensdheid van digitale bibliotheken, en voor de door het internet geboden publicatiemogelijkheden die des te meer gewaardeerd worden nu gaandeweg iedereen lijkt te vinden dat de dag- en weekbladpers reddeloos verloren zijn.

 

Weinig impact

Literatuur en de digitale cultuur hebben elkaar al veel langer gevonden. De literatuurgeschiedenis van Hugo Brems, die eindigt in het jaar 2005, bevat een nogal gemoedelijk hoofdstuk over “de literatuur in het tijdperk van de digitale media”. Daarin wordt melding gemaakt van enkele internettijdschriften (De gekooide roos, Meander, De klos), auteurswebsites (http://www.epibreren.com/) en initiatieven als het inmiddels al lang weer stopgezette project Laurens Jz Coster (http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/) en de eerder vermelde DBNL. Gemoedelijk, want hier geen doemdenkerij noch victoriegekraai. Ja, het is wat met de digitale revolutie, geeft Brems toe, maar ook noteert hij: “[v]ooralsnog hebben al deze ontwikkelingen relatief weinig impact op de markt van het Nederlandstalige algemene boek” (1). Er valt ook anno 2010 nog niet zo gek veel af te dingen op die laatste bedenking. De online boekenverkoop blijft bijvoorbeeld marginaal in de Lage Landen. Het e-book zou weliswaar aan de rand van de doorbraak staan, maar in 2009 werden er in Vlaanderen nog altijd maar enkele honderden van verkocht. In Nederland gingen er in hetzelfde jaar wél al 60.000 e-books virtueel over de toonbank (net als, niet op virtuele wijze, 10.000 e-readers), maar dat zijn pindanoten in het licht van de totale omzet van de boekenmarkt. Bovendien lijkt niemand in de bedrijfstak te geloven dat het aandeel van het e-book de eerstkomende vijf jaar meer dan vijf à zeven procent zal bedragen.

 

Online self-publishing
Literaire auteurs met een carrière dragen hun werk voorts nog altijd naar een traditionele uitgever. Online self-publishing kan in sommige activistische kringen een rebelse uitstraling bevorderen, maar in het wereldje van de boekenbijlagen én dat van de gespecialiseerde of zelfverklaard avant-gardistische literaire bladen geldt het kennelijk nog altijd als een nieuwerwetse vorm van vanity publishing of gewoon als amateuristisch. (Letterlijk is het dat natuurlijk ook: het brengt geen stuiver op.) Stefan Van den Broeck becijferde onlangs voor het zowel gedrukt als digitaal gepubliceerde tijdschrift rekto:verso dat ook in de eenentwintigste eeuw vrijwel alleen de bij gevestigde uitgeverijen verschenen boeken kans maken om in de pers of de literaire tijdschriften te worden gerecenseerd.

Auteurs op het web

Afgezien van de uitsluitend om promotionele redenen onderhouden websites, zijn er natuurlijk wel verscheidene gewaardeerde auteurs actief op het internet, met veel boeiende resultaten. Onder meer Marc Reugebrink (foto), Marc Kregting, Rutger H. Cornets de Groot en Ivo Victoria bewijzen dat blogs een interessant platform kunnen zijn om invallen, korte beschouwingen, opiniestukken en werk in uitvoering te presenteren, of om een fanbase te kweken. Er zijn auteurs die via een blog bekendheid verwierven en zo bij wijze van spreken auteur zijn geworden, zoals Michel van Eeten en Willemijn Dicke. Maar nogmaals geen schrijver bestaat ook na de noughties louter virtueel. Zowel Van Eeten (Tegennatuur, 2008) als Dicke (Mea, 2009) heeft intussen ook “echte” romans uitgegeven bij een “echte” uitgever (in beide gevallen Atlas).

 

De kroonjuwelen van Web 2.0

Dat uitgeverijen, boekhandels, tijdschriften, zelfs leerstoelgroepen literatuur (hier bijvoorbeeld), intussen eveneens massaal online zijn, heeft te maken met het succes van programma’s en applicaties als Facebook, Twitter en blogs. De kroonjuwelen van Web 2.0 hebben er met hun kant-en-klare sjablonen voor gezorgd dat zelfs de grootste digibeet in een mum van tijd informatie online beschikbaar kan maken. Een pagina toevoegen aan Facebook kan in een fractie van een seconde. De oprichting van een persoonlijke blog (via Blogger of Wordpress bijvoorbeeld) hoeft nauwelijks meer tijd in beslag te nemen als je kiest voor een standaardsjabloon. (Wie een mondje programmeertaal spreekt, kan een blog natuurlijk helemaal customizen.) Het is al lang niet meer mogelijk om een overzicht te geven van alle user generated content in de literaire wereld. Voorbijgaand aan tal van nuances kan echter worden geconstateerd dat de mogelijkheden van Web 2.0 door uitgeverijen, boekhandels en tijdschriften tot nader order vooral worden gebruikt voor marketing en netwerking. Uiteindelijk is de doelstelling meestal de verkoop van een papieren product te stimuleren, waarmee overigens niet gezegd is dat zoiets laakbaar zou zijn.

 

Literaire e-nfo

Of het overwicht van de gedrukte media nog lang zal blijven bestaan, is een vraag die onverminderd speculaties blijft uitlokken. Spreken over de ontwikkelingen die het (literaire) boekenvak te wachten staan, zou vandaag wellicht een iets minder gemoedelijke toon vereisen dan Hugo Brems zich vijf jaar geleden nog kon veroorloven, maar dat is stof voor een andere discussie. Vooralsnog lijken in de Lage Landen alleen de literatuurkritiek en -berichtgeving echt meegesleurd te worden in de digitale maalstroom. Enfin, meegesleurd is niet het goede woord. Vele literatuurliefhebbers hebben de voorbije jaren te kennen gegeven dat de dag- en weekbladpers hun behoefte aan literaire berichtgeving en kritiek niet meer bevredigen kunnen, kwantitatief noch kwalitatief. Er zou namelijk steeds minder aandacht zijn voor de literatuur. De aandacht die er is, zou te exclusief gaan naar lifestyleproducten en een voorspelbaar kransje auteurs dat ook de populaire prijzen wegkaapt en in De laatste show of De wereld draait door mag verschijnen. De eindeloos gerestylede boekenbijlagen slanken af of verdwijnen helemaal, individuele recensies worden korter. En er moeten overal sterretjes bij. Ik vat samen.

 

Onbeperkt, kosteloos, interactief

Er is in dit debat nogal wat gezeur en irrelevant geroddel. Jaloezie, navelstaarderij en rancune zijn ook ingrediënten. Maar net zo goed wordt er scherpzinnig (hier of hier) en met humor (hier) nagedacht over het niveau van de contemporaine journalistiek, of ondogmatisch gefilosofeerd (hier) over literatuur, lezen en de nieuwe media. Voor ieder wat wils dus. In ieder geval lag het enigszins voor de hand dat de literatuurcommentatoren en -critici als eersten de mogelijkheden van het internet ernstig zouden gaan verkennen. Cyberspace is onbeperkt en zogoed als kosteloos, de interactiviteit valt er in niets te vergelijken met de klassieke print media.

 

De Contrabas

De Contrabas heeft voor de Lage Landen een pioniersrol gespeeld. Dit poëzieweblog, dat in de zomer van 2005 werd opgericht door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers, is uitgegroeid tot een dynamisch forum voor literatuurnieuws en allerhande discussies. Volgens de huidige redactie genereerde de website eind 2009 gemiddeld vijftigduizend hits per maand. Intussen heeft De Contrabas ook een eigen uitgeverijafdeling die papieren dichtbundels op de markt brengt. De sfeer op de website kan broeierig zijn, en de toon is nogal dissident. Dat is soms opwindend, maar vaak ook vermoeiend, en af en toe lijkt een overdosis verongelijktheid hoe dan ook de algehele betrouwbaarheid niet ten goede te komen. Sommige medewerkers of vaste klanten gaan met name net iets te driftig op in de rol van underdog, die ze zichzelf aanmeten. Dat neemt niet weg dat geen literatuurwatcher het zich kan permitteren om dit adres niet vrijwel dagelijks te bezoeken.

 

Recensieweb

Ongeveer even oud als De Contrabas maar minder omstreden is Recensieweb. Het initiatief werd genomen door studenten in de masteropleiding redacteur/editor van de Universiteit van Amsterdam met als ambitieuze doelstelling om alle nieuwe Nederlandse literatuur te bespreken. Dat lukt al met al verrassend aardig. Bovendien worden hier niet alleen veel meer titels besproken dan in de gedrukte boekenbijlagen, de recensies spelen aanzienlijk korter op de bal. De dag- en weekbladpers en de literaire tijdschriften signaleren publicaties doorgaans pas maanden na hun verschijning, op een ogenblik dus dat gezien de huidige omloopsnelheid van het boek de gemiddelde nieuwe titel al niet meer in de reguliere boekhandel te bespeuren valt. Aan dat euvel lijdt Recensieweb niet. Een enkele professionele criticus probeert daar al eens tegenin te brengen dat de voor deze website schrijvende critici amateurs zijn en dat hun stukken niet deugen. Toch is het niet moeilijk je in te denken dat veel schrijvers dit soort niet al te specialistische maar wel spontane en gedreven lezersreacties op prijs stellen. Dat veel ándere lezers de inspanningen van deze “burgerrecensenten” waarderen lijkt in ieder geval buiten kijf te staan. Het is voorts zinvol om op te merken dat Recensieweb zich allerminst alleen met de boekproductie van enkele voor de hand liggende publiekslievelingen inlaat. Zo werd de roman Elf (2010) van de toch (nog) niet modieuze literatuurwetenschapper Daniël Rovers luttele dagen na de officiële verschijning ervan hier al besproken. Het werk kreeg trouwens vier (van de maximaal vijf) sterren.

 

De papieren man

Voor de minder beschouwende literaire berichtgeving bestaan er ook diverse adressen. Gewaardeerd in Vlaanderen en Nederland is de blog De papieren man, waarop de De Morgen-journalist en recensent Dirk Leyman sinds september 2006 dagelijks nieuws post over het boekenvak en de letteren. Om aan de vraag van een snel groeiende schare bezoekers tegemoet te kunnen blijven komen, werkt Leyman sinds 2007 samen met Hans Cottyn. In december 2009 ontving het duo in een maand bijna 37.000 unieke bezoekers (52.100 pageviews). Die populariteit heeft ongetwijfeld te maken met de betrouwbaarheid van de berichten, evenals met de journalistieke ernst waarmee ze worden opgeschreven. De papieren man, die eind 2009 werd bekroond met een Dutch Bloggie, is in het voorjaar van 2010 vertimmerd tot een volwaardige website met nieuwe rubrieken.

 

Knack Boekenburen

Het succes van De papieren man lijkt de belangstelling van de gevestigde media voor literatuur te hebben aangewakkerd. Knack ging in augustus 2009 bijvoorbeeld in samenwerking met deBuren en de provincie Antwerpen van start met Knack Boekenburen, in feite webpagina’s die in de website van het weekblad zijn ingebed en waarop dagelijks boekennieuws, recensies van fictie en non-fictie, essays, autobiografisch proza en polemische artikelen zijn te lezen en ook elke week een nieuwe aflevering van Bladwijzer beschikbaar wordt gemaakt (een literair programma van de regionale zender RTV). De website heeft gemiddeld meer dan duizend unieke bezoekers per dag, maar dat aantal kan verdubbelen of zelfs verdriedubbelen na publicatie van in het oog springend nieuws (over de toekenning van de Nobelprijs bijvoorbeeld).

 

Achille en de mededelingen

Wat meer in de marge bevinden zich tot slot de blog van Achille van den Branden – de extreem productieve, naar verluidt door één man bediende recensiemachine ter promotie van het goede boek – en de website Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, die verslag uitbrengt over onder meer Franse en Nederlandse literatuur en bibliofilie, maar zich vooral door haar cultuurhistorische dimensies en verrassende voorkeuren onderscheidt. Voor zover dat nodig zou zijn, bewijst de drijvende kracht achter het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, de schrijver-essayist Henri-Floris Jespers, dat bloggen ook voor vijfenzestigplussers is weggelegd. De identiteit van Achille van den Branden, een aan een vroeg verhaal van Tom Lanoye ontleend pseudoniem, blijft vooralsnog een goed bewaard geheim.

 

Slimme jongens online?

 

In het literaire debat op het net is de opvallendste nieuwe speler De Reactor. Dit “platform voor literaire kritiek” werd op 16 oktober 2009 gelanceerd door redactieleden van de literaire tijdschriften nY, Parmentier, DW B en het begin 2009 opgedoekte Raster. De missie van de initiatiefnemers is de “kwaliteitsvolle literaire kritiek in ons taalgebied een nieuwe impuls geven voor een breed publiek van geïnteresseerde lezers die vaak hun gading niet meer vinden in de kolommen van kranten en weekbladen”. De “nieuwe impulsen” zijn in de eerste plaats het niet spectaculaire maar verzorgd uitgevoerde digitale format en de kosteloze content. Dat maakt De Reactor alvast in meer dan één opzicht toegankelijker dan de traditionele tijdschriften en het ziet er naar uit dat de website dan ook vlot meer lezers zal bereiken dan de initiatiefnemende bladen samen. Van de lancering tot eind januari 2010 werden ongeveer 8.500 unieke bezoekers geteld. Gemiddeld werd De Reactor per dag 230 keer geconsulteerd (met pieken tot 400 op woensdagen na de verzending van de wekelijkse nieuwsbrief).

 

Weinig verrassend, wel diepgaand

Aangezien De Reactor nog maar enkele maanden actief is, past bij een blik op deze cijfers enige terughoudendheid. Om dezelfde reden zou bij een bespreking van de inhoud te strenge kritiek voorbarig zijn. Toch vallen alvast twee dingen op. Op 16 januari 2010 bood De Reactor 39 recensies aan, waarvan er op tien minstens één keer was gereageerd. Voor een platform dat zich als een “reactor” profileert, stelt die matige interactiviteit voorlopig nog wat teleur. Met uitzondering van een alternativo hier en daar, is de keuze van de besproken auteurs voorts weinig verrassend. David Grossman, A.F.Th. Van der Heijden, BV-in-de-maak Joost Vandecasteele, Greil Marcus, Dave Eggers, Robert Crumb, Herman Franke, Tommy Wieringa, Simon Schama, Geert Buelens, Peter Terrin, Thomas Rosenboom en de gehypete Murakami… De meeste van deze gezichten zijn met wat geluk zelfs in de Standaard Boekhandel van Merelbeke aan te treffen. Op zich is dat natuurlijk geen probleem zolang de recensies het verschil maken. Door de bank genomen doen ze dat wel. De Reactor biedt diepgravende stukken die bijna altijd helder en soms uitstekend zijn geschreven.

Wat mij betreft, schuilt de meerwaarde in de eerste plaats in de manier waarop hier over literatuur gesproken wordt. De criteria waarmee teksten worden gewogen wijken net als de stijl van argumenteren vaak drastisch af van het dominante discours in de boekenbijlagen van de Vlaamse en Nederlandse dagbladen (die inderdaad de neiging vertonen om literaire teksten te verpakken tot een vlot consumeerbare, onschadelijke esthetische ervaring). Symptomatisch is ook dat de praktijk van recenseren (met zijn typische vooronderstellingen, tics en clichés) op De Reactor regelmatig mee wordt gethematiseerd. In de aparte rubriek “Teksten over kritiek” wordt die lijn consequent verder doorgetrokken. Mede daardoor gaat De Reactor niet zomaar over afzonderlijke teksten, maar ook voortdurend over de verhouding tussen literatuur en kritiek, taal, politiek, maatschappij, enzovoort. Hoewel die koers door vriend en vijand eigenlijk gewaardeerd zou moeten worden, toont de vijand zich vooralsnog niet overtuigd. Die blijkt trouwens niet weinig talrijk en bevindt zich in verschillende kampen.

 

Kritiek en debat

Om te beginnen hebben enkele internetherauten die kwartier houden op http://www.decontrabas.com/ zich van meet af aan uitermate kritisch opgesteld tegen De Reactor (hier bijvoorbeeld). De wederom soms te nadrukkelijke toon van frustratie daargelaten, hebben de debatten over het nieuwe project enkele zinvolle reacties opgeleverd. Zo formuleerde de al genoemde Rutger H. Cornets De Groot pertinente kanttekeningen bij de geschiktheid van het medium internet om aan essayistiek te doen en het door literaire bovenlagen almaar weer kritiekloos gerecycleerde denkbeeld dat literatuurkritiek het volk een dienst zou bewijzen (hier, wel nog naar beneden scrollen). Dat zijn alvast punten waar Matthijs de Ridder in zijn inmiddels druk besproken Pleidooi voor een koel afscheid van de dagbladkritiek nogal licht overheen gaat. De Ridder, medeoprichter van De Reactor, schrijft in dat stuk hoe de wetten van de print media de boodschap (in dit geval: de literatuurkritiek in de krant) zijn gaan dicteren. Hij leunt hiervoor aan bij de filosoof Henk Oosterling en speelt met diens concept “radicale middel-matigheid”. Hoe het internet de boodschap van de door De Reactor geproduceerde kritiek bemiddelt, daarover heerst stilte, terwijl het toch bijvoorbeeld maar de vraag is of betrekkelijk lange en precieuze teksten op het net wel kunnen “renderen”. Ook de vraag wat voor impact een versnippering veroorzakend medium kan hebben op het publieke debat, blijft onbeantwoord (Erik Spinoy heeft over deze kwestie hier wel interessante opmerkingen geformuleerd.)

 

Kritiek op De Ridder

In De Ridders pleidooi, dat trouwens in eigen naam werd geschreven en niet als redactiestandpunt was bedoeld, sluimeren ook waarheidsaanspraken die hij beter had kunnen expliciteren. Dat “iedereen zich over alles kan uitspreken” wordt door de criticus weergegeven als een weinig hoopgevende evolutie. De “ware” kennis komt er immers nog maar weinig aan te pas omdat het debat ten prooi is gevallen aan rabiaat anti-intellectualisme. Juist in literaire zaken, die in het publieke debat bij uitstek als “zacht” en “gevoelig” worden voorgesteld, is het echter belangrijk om te verduidelijken waarin de meerwaarde van expertise kan schuilen. Waarom moeten we luisteren naar literaire experts? Waarom is het anno 2010 nog van belang om literatuurwetenschap te studeren? Wie geeft om de literatuur en het literaire debat, moet proberen om dit soort vragen keer op keer helder te beantwoorden. 

Verfrissend is dat De Reactor beseft dat het geen uitdaging meer is om het criterium “maatschappelijke relevantie” te ontmaskeren als een neoliberale fixatie die het spreken over literatuur vervuilt. De redactie gaat, net als diverse recensies op de website (deze bijvoorbeeld), de veel spannendere uitdaging aan om het begrip “maatschappelijke relevantie” te heroveren op degenen die zich achter dat begrip verschuilen om uit gemakzucht het voorspelbare te begunstigen.

 

Gemakzuchtig cultuurpessimisme

De negatieve wijze waarop De Ridder de journalistiek in zijn pleidooi definieert, lijkt in het licht van het bovenstaande dan ook enigszins contraproductief. Het is naast de kwestie om te beginnen over journalisten als gemankeerde universele intellectuelen met “slechts on demand wikipediakennis” of begrippen als nieuwswaarde, actualiteit en toegankelijkheid “journalistieke heilige koeien” te noemen. Hoewel De Ridder in de inleiding van zijn pleidooi met zin voor ironie wil aangeven dat hij geen oude geestesaristocraat is, zijn de hier aangehaalde uitspraken te kwalificeren als cultuurpessimisme van de gemakzuchtige soort. Ze geven haast blijk van de diep in de cultuur van de moderniteit gewortelde angst voor onzuiverheid waarmee dagbladen, radio en televisie in de twintigste eeuw af te rekenen hadden en waarop de verzoening tussen “hoge cultuur” en de “massa” vaak is stukgelopen. In die zin ondermijnen ze de geloofwaardigheid van dure woorden als “volksverheffing” en “zendingsdrang”, die De Ridder hier in de mond neemt. Zo blijft zijn pleidooi uiteindelijk in de eerste plaats een te doorzichtige poging om de dag- en weekbladcritici hun prestige af te nemen en het recht om te spreken over literatuur te reserveren voor de expert.

Kritiek op Hellemans

Wie zich in zijn grote verontwaardiging toch op De Ridders pleidooi verkeek, was Frank Hellemans. De journalist die bij Knack verantwoordelijk is voor recensies, literaire berichtgeving en de bovenvermelde website Knack Boekenburen, bracht De Reactor twee keer in opspraak (hier en hier, en zie ook Knack van 13 januari 2010). Hij nam vooral aanstoot aan De Ridders miskenning van de historische rol van de drukpers in de ontwikkeling en bloei van de moderne westerse democratieën. Zijn poging om het Vlaamse tijdschriftenlandschap te herverkavelen was echter behoorlijk driest. Enkele van zijn verwijten (“inteelt”, “slimme jongens onder elkaar”) en de wijze waarop hij de financiering van De Reactor ter discussie stelde, waren bovendien voorspelbaar en zijn door de initiatiefnemers overtuigend weerlegd. Vooralsnog lijkt het aangewezen om de nieuwe website minstens het voordeel van de twijfel te gunnen.

 

Virtuele laboratoria

Terwijl Knack en De Reactor hun territoriumdrift even konden opblazen tot een nationale hallucinatie, kondigden rekto:verso en De Werktitel in december 2009 in de luwte aan dat ze in de toekomst nauw zouden gaan samenwerken. De Werktitel, dat inmiddels is omgedoopt tot Apache, is een online “forum voor onafhankelijke journalistiek”, dat werd opgericht voornamelijk door journalisten en redacteurs die in 2009 door het management van de krant De Morgen werden afgedankt. De initiatiefnemers toonden zich van meet af aan meer “gebeten om te weten” dan hun ex-werkgever. Ze slaagden er de laatste tijd in om met opmerkelijke berichten en reportages de aandacht van een breed publiek te trekken. Hun professionele burgerjournalistiek is niet altijd even gestroomlijnd, maar hun tegendraadsheid en gebrek aan valse bescheidenheid is in het huidige mediabestel een verademing, ook al omdat dit “journalistieke laboratorium” met een haast aandoenlijke naïviteit “de onverschilligheid voor de waarheid” blijft bekampen.

Evenzeer een verademing is het cultuurkritische tijdschrift rekto:verso, dat zoals gezegd op papier en online verschijnt en behoorlijk veel over literatuur publiceert. Het weet heel geregeld te verrassen met toegankelijke en goed gedocumenteerde teksten die een waardevolle aanvulling zijn op de overheersende berichtgeving. Bovendien is “maatschappelijke relevantie” ook in deze kringen niet automatisch een verdacht woord dat dringend gedeconstrueerd moet worden.

Toch volksverheffing?

Dat rekto:verso en Apache elkaar door de nevelen van het digitale woordenkraam hebben gevonden is hoopgevend voor wie nog in volksverheffing wil geloven. Het ruilmiddel der gedachte is op beide websites kosteloos maar niet gratuit, en bevattelijk maar niet vervlakkend. Hopelijk slagen de redacties erin om, op flinke afstand van het mercantiel-sensationele, een volwaardig businessmodel te ontwikkelen. Want daarin blijft ook – zeker – in het digitale tijdperk een groot deel van de uitdaging schuilen: het vergaren, controleren en brengen van nieuws en duiding is nooit kosteloos. En het zou wederom contraproductief zijn om deze bedenking snel af te serveren als een capitulatie voor de terreur van de vrije markt.

Wie voor de instandhouding van professionele expertise in elke omstandigheid uitsluitend rekent op subsidies speelt niet alleen met zijn geloofwaardigheid, maar stelt zich ook kwetsbaar op. In hun terechte kritiek op winstmaximalisatie en de kortzichtigheid van aandeelhouders vallen de pleitbezorgers van een zo groot mogelijke intellectuele autonomie vandaag te gemakkelijk terug op het beeld van de overheid als neutrale opperrechter en mecenas. Dat beeld is wellicht een nastrevenswaardig ideaal, maar wordt beter niet verward met een historische verworvenheid.

 

Kevin Absillis

Artikel uit Ons Erfdeel, jg. 53 (2010), nr. 2., pp. 44-53. Er is overigens ook een afdrukbare versie beschikbaar.

 

De auteur dankt Arnoud van Adrichem en Piet Joostens (De Reactor), Frank Hellemans en Dirk Leyman voor hun inlichtingen en hun reacties.

 

Noot

(1) Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen, Bert Bakker, Amsterdam, 2005, p. 608 e.v.

Reacties

Reactie plaatsen


(Zal uw Gravatar icon tonen)  

Enter the word
captcha word


  Country flag

biuquote
  • Reactie
  • Live voorbeeld
Loading



Over deze blog

De Ons Erfdeel Blog is een elektronische aanvulling bij het driemaandelijkse tijdschrift Ons Erfdeel. De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel vzw wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekendmaken en de culturele samenwerking tussen Nederlandssprekenden bevorderen. Ons Erfdeel vzw doet dit door het uitgeven van boeken en tijdschriften in verschillende talen over de cultuur van Vlaanderen en Nederland. Een overzicht van onze publicaties en meer over Ons Erfdeel vzw vindt u op onze website.

Het tijdschrift Ons Erfdeel werd opgericht in 1957 door Jozef Deleu. Sinds 2002 is Luc Devoldere hoofdredacteur van het blad, en van alle andere uitgaven van Ons Erfdeel vzw. 

 

Jongste nummer: Ons Erfdeel 2010/3

 

Trefwoordenwolk